3.1 De student kan binnen dans- en dramalessen variëren in manieren van oriënteren, begeleiden en evalueren/nabespreken en daarbij reflecteren op de verschillen.

Subdoelstellingen

1 De student heeft kennis van de  frasering van een les (orientatiefase, exploratie/onderzoek, uitvoeren/presenteren, evalueren) en procesgericht werken.

2 Student heeft kennis van verschillende manieren van

  • oriënteren
  • evalueren
  • begeleiding tijdens de les

3 Student kan gericht een oriëntatie activiteit kiezen, gericht op zijn/haar doelstelling en leerlingen.

4 De student is in staat om een goed nagesprek (evaluatie)  uit te voeren. Hij zij kan de keuze maken voor een bepaalde aanpak.

4De student is in staat om een goede begeleiding uit te voeren. Hij zij kan de keuze maken voor een bepaalde aanpak.